DE OPENBARING VAN PAULUS

Inleiding: Het Vagevuur is een onderdeel van het Dodenrijk. 

Het eerste gedeelte is uit het achtste hoofdstuk uit het Boek van Henoch. 

Henoch beschrijft de opbouw van het dodenrijk. Paulus beschrijft wat er IN het dodenrijk gebeurt. 

Henoch PDF
PDF – 2,0 MB 133 downloads


22.2 Binnenin was het diep, breed en zeer glad. Hoe glad was het wat draaide, en diep en donker om naar te kijken!
22.3 Toen antwoordde Raphaël, een van de heilige engelen die bij mij was, en zei tot mij: “Deze prachtige plaatsen zijn er, zodat de geesten, de zielen van de doden, daarin kunnen worden verzameld. Die werden gemaakt voor hen, zodat ze hier kunnen verzamelen de zielen van de mensenkinderen.
22.4 En zij maakten deze plaatsen, waar deze zullen blijven tot de Dag des Oordeels, en tot de hun vastgestelde tijd, en de vastgestelde tijd zal lang duren, totdat het grote oordeel over hen komt.”
22.5 Ik zag de geesten van de zonen van de mensen die dood waren en hun stemmen bereikten de hemel en klaagden.
22.6 Toen vroeg ik Raphaël, de engel die bij me was, en zei tot hem: “Wiens geest is dit, wiens stem reikt tot aan de hemel en klaagt als deze?”
22.7 Hij antwoordde mij, en zei tot mij: “Deze geest is degene die kwam vanuit Abel, die door Kaïn, zijn broer, werd vermoord. En hij zal klagen over hem tot zijn nakomelingen zijn vernietigd van het gezicht van de aarde, en zijn nageslacht vergaan is van onder de nakomelingen der mensen.”
22.8 Toen vroeg ik over hem, en over het oordeel over hen allen, en ik zei: “Waarom is de een gescheiden van de ander.”
22.9 En hij antwoordde mij, en zei tot mij: “Deze drie plaatsen werden zo gemaakt, opdat zij de geesten in de dood zouden scheiden. En de zielen van de rechtvaardigen zijn op deze manier gescheiden, dit is de bron van water, en daarboven het licht.
22.10 Ook is er een plek gecreëerd voor zondaren, wanneer zij sterven, en begraven zijn in de aarde, en het oordeel nog niet over hen is gekomen tijdens hun leven.
22.11 Maar hier worden hun zielen gescheiden voor deze grote kwelling, tot aan de Grote Dag des Oordeels met bestraffing en kwelling voor hen die voor eeuwig vervloekt zijn, en een wraak op hun zielen. En daar zal Hij hen voor altijd binden. Waarlijk, Hij is van het begin van de wereld.
22.12 En er is een plaats afgescheiden voor de zielen van hen die klagen, en informatie geven over hun vernietiging, over wanneer ze werden gedood, in de dagen van de zondaars.
22.13 Daarom is er een plek gemaakt, voor de zielen van mensen die niet rechtvaardig zijn, maar zondaars, die hun wangedrag vol maakten en met de onrechtvaardigen zullen zij hun lot delen. Maar hun zielen zullen niet worden gedood op de dag des oordeels, noch zullen zij opstijgen van hier.”
22.14 En ik zegende de Heer der heerlijkheid en zei: “Gezegend zij mijn Heer, de Heer van Glorie en Gerechtigheid, die over alles regeert voor eeuwig.”


De inhoud van de Openbaring van Paulus is te vergelijken met die van de Openbaring van Petrus, In deze openbaring mag nu de apostel Paulus een bezoek brengen aan de hemel en de hel. De aanleiding om dit werk te schrijven is een opmerking van Paulus in zijn tweede brief aan de gemeente in Korinthe. Daarin staat dat hij tot de derde hemel is opgetrokken geweest en dat hij daar onuitsprekelijke dingen heeft gehoord (2 Kor. 12, 1-6). Van dat bezoek heeft Paulus dit verslag gemaakt hebben. Volgens de inleiding van deze Openbaring heeft Paulus dat verslag begraven onder de fundamenten van zijn huis in de stad Tarsus waar het werd gevonden in het jaar 388. 

Openbaring Van Paulus
PDF – 1.002,2 KB 118 downloads

Het te downloaden epistel heb ik niet veranderd,. De opmerkingen bij de inleiding zijn van een persoon die NIET volledig achter deze Openbaringen van Paulus staat, dat is duidelijk merkbaar aan de manier van schrijven. Echter de causale verbanden tussen diverse geschriften en diverse bijbelteksten geven onomstotelijk het bewijs dat dit de waarheid is.  Mattheus 27:52 -- 2 Kor. 12: 1-6 --  1 Korinthe 3:11-15 -- 1 Petrus 3:18-22

Openbaring Van Petrus
PDF – 735,6 KB 72 downloads

Het Dodenrijk is in vier gedeelten opgedeeld. De vier gedeelten worden uitgelegd bij de pagina over het dodenrijk. Ook zijn er reeds zielen van het dodenrijk verplaatst naar de Hemel. Deze verplaatsing heeft plaats gevonden direct na het sterven van Jezus (Mattheus 27:52), dit was de Gerstoogst. De tweede oogst, de Tarweoogst, is op Grote Verzoendag 4/5 Oktober 2022. De derde oogst is op het einde van het Millenium, de Druivenoogst. Mattheus beschrijft hetgeen zichtbaar was voor de levende mens, maar Nicodemus beschrijft het onzichtbare, wat er gebeurde in het dodenrijk over de Gerstoogst. 

Nicodemus Dodenrijk
PDF – 627,4 KB 105 downloads

2 Kor. 12, 1-6 Maar ik zal verdergaan met gezichten en openbaringen van de Heer. Ik ken een mens in Christus. Het is veertien jaar geleden en het gebeurde in of buiten het lichaam. Dat weet ik niet, maar God wel. Die man werd opgenomen tot in de derde hemel. Maar ik weet dus dat die man in of buiten het lichaam – dat weet ik niet, maar God wel - werd opgenomen naar het paradijs en daar geheime woorden heeft gehoord die het aan mensen niet is geoorloofd uit te spreken. Op die man zal ik me beroemen, maar niet op mijzelf, behalve voor zover het mijn zwakke kanten betreft."

De vondst van de openbaring die Paulus had gekregen 

I. In welke tijd is het boek bekend geworden? Tijdens het consulaat van Teodosius Augustus de Jongere en Kynegius kreeg een aanzienlijk man die toen in Tarsus woonde in het huis dat van de heilige Paulus was geweest in de nacht een verschijning van een engel. Deze openbaarde hem dat hij de fundamenten van het huis moest openbreken en wat hij daar vond moest bekendmaken. Maar hij dacht dat het onzin was.
2. Maar toen de engel voor de derde keer was gekomen heeft hij hem gegeseld en hem onder dwang het fundament laten openbreken. Bij het graven stootte hij op een marmeren kistje dat op de zijkanten beschreven was. Daarin bevond zich de openbaring van de heilige Paulus en de sandalen waarop hij had gelopen toen hij het woord van God had onderwezen. Maar de man durfde het kistje niet open te maken en ging ermee naar de rechter. De rechter nam het in ontvangst en stuurde het als zodanig met lood verzegeld naar keizer Teodosius omdat hij de zaak niet helemaal vertrouwde. De keizer nam het in ontvangst, maakte het open en vond de openbaring van de heilige Paulus. Hij stuurde een afschrift naar Jeruzalem en hield het origineel zelf

De mens wordt aangeklaagd

3. Toen ik in het lichaam was waarin ik werd weggevoerd naar de derde hemel, kwam het woord van de Heer tot mij: "Zeg tot het volk: “Hoe lang zullen jullie verkeerd handelen en zonde op zonde stapelen en zullen jullie de Heer, die jullie geschapen heeft, op de proef stellen? Jullie zijn kinderen van God en toch doe je het werk van de duivel wegens de beslommeringen van de wereld hoewel je op Christus vertrouwt. Denk er dus aan dat de hele schepping onderdanig is aan God maar het menselijk geslacht alleen zondigt. Het heerst over alles wat is gemaakt maar het zondigt meer dan de hele natuur."
4. Vaak heeft de zon, het grote licht, de Heer aangesproken met de woorden: 'Heer, almachtige God, ik kijk uit over de goddeloosheid en ongerechtigheid van de mensen. Als U mij toestaat zal ik mijn kracht laten voelen opdat ze weten dat U alleen God bent. En een stem liet zich horen die tot haar zei: 'Dit is Me allemaal bekend, want mijn oog ziet het en mijn oor hoort het, maar mijn geduld verdraagt hen totdat ze zich bekeren en boete doen. Maar als ze niet naar Me terugkeren, zal Ik hen allen veroordelen

De aanbidding van de engelen

8. Op het vastgestelde uur treden daarom alle engelen vol vreugde tegelijk voor God en ze verschijnen op tijd om te aanbidden. En kijk, plotseling vond hun samenkomst plaats en de engelen kwamen om te aanbidden voor het aangezicht van God en de Geest kwam hen tegemoet. En er klonk een stem die sprak: "Engelen van ons, waarvandaan zijn jullie gekomen, jullie die met de berichtgeving belast zijn?
9. Zij gaven ten antwoord: 'We komen van hen die deze wereld om uw heilige naam hebben opgegeven. Zij zwerven als vreemdelingen rond en ze verblijven in rotsholen en alle tijd dat ze op aarde wonen, wenen ze en ze hebben honger en dorst om uw naam. Ze hebben hun lendenen omgord en in hun handen hebben ze de wierook van hun hart. Elk uur bidden en zegenen ze en ze beheersen zich meer dan alle andere mensen op aarde. Ze wenen en treuren. En wij, hun engelen doen dat ook. Geef ons daarom bevel om hen te dienen als het U goeddunkt. Ze hebben meer dan alle anderen op aarde de armoede verkozen.' En de stem van God liet zich horen en sprak tot hen: 'Weet dat er voor jullie van nu af door Mij genade is bepaald en dat mijn hulp bestaande uit mijn zeer
geliefde Zoon hen zal bijstaan en hen op ieder uur zal leiden. Ja, hij zal hen besturen en hen nooit verlaten omdat ze zijn woning zullen zijn.
10. Toen dan deze engelen waren teruggetreden kwamen daar ineens andere engelen naar voren om voor het aangezicht van de Luister te aanbidden. Ze huilden. En de Geest van God ging hen tegemoet en een stem liet zich horen die zei: 'Engelen van ons, waarvandaan zijn jullie gekomen met jullie lasten, dienaren met berichten over de wereld?' Ze antwoordden voor het aangezicht van God: 'Wij komen van hen die uw naam hebben aangeroepen, maar de beslommeringen van de wereld hebben hen ongelukkig gemaakt. Ieder uur bedachten ze nieuwe uitvluchten en ze hebben geen enkel zuiver gebed van ganser harte in hun hele leven uitgesproken. Waarom is het daarom nodig zondaars bij te staan?' En de stem van God liet zich horen en sprak tot hen: "Toch is het nodig dat jullie hen bijstaan totdat ze zich bekeren en boete doen. Maar als ze niet tot Mij terugkeren zal Ik hen veroordelen.' Mensenkinderen, weet dus dat al wat door jullie wordt gedaan door engelen aan God wordt gemeld zowel het goede als het kwade.

Het oordeel over de rechtvaardigen en de zondaars

11. En de engel nam het woord en zei tegen me: 'Volg me en ik zal de plaats van de heiligen laten zien. Na hun dood worden ze daarheen gebracht. Daarna zal ik je meenemen naar de afgrond en je de zielen laten zien van de zondaars die na hun dood daarheen zijn gebracht." En ik volgde de engel en hij bracht mij naar de hemel en ik zag het uitspansel en ik zag daar de machten en de vergetelheid die bedrieglijk is en het hart van de mens naar zich toetrekt. Ook zag ik de geest van de laster en die van de ontucht en van razernij en de geest van de schaamteloosheid. Daar waren de vorsten van alles wat kwaad is. Dit zag ik onder het uitspansel van de hemel. En opnieuw keek ik toe en ik zag onbarmhartige engelen die geen medelijden kenden. Hun gezicht was vol razernij en hun tanden staken uit hun mond naar buiten. Hun ogen fonkelden als de morgenster van het oosten en van de haren op hun hoofd schoten vonken van vuur evenals uit hun mond." En ik vroeg de engel "Wie zijn dat, heer? En de engel antwoordde mij: 'Dat zijn zij die bestemd zijn voor de zielen van de goddelozen in het noodlottige uur, de mensen die niet geloofd hebben dat zij de Heer als helper hadden en niet op Hem gehoopt hebben.'
12. En ik keek omhoog en ik zag andere engelen. Hun gezicht straalde als de zon, hun lendenen waren omgord met gordels van goud en ze hadden palmtakken in hun hands en het teken van God. Ze waren gekleed in gewaden waarop de naam van de Zoon van God was geschreven. En ze waren vol mildheid en barmhartigheid. Ik vroeg de engel: "Wie zijn dat, heer, die zo schoon en barmhartig zijn?" En de engel antwoordde me: 'Dat zijn de rechtvaardige engelen die in het noodlottige uur uitgezonden worden om de zielen van de rechtvaardigen te halen, die hebben geloofd dat zij de Heer als helper hebben.' En ik zei tegen hem: 'Is het nodig dat rechtvaardigen en de zondaars getuigen tegenkomen wanneer ze gestorven zijn? En de engel antwoordde me: 'Er is maar één weg waar ieder op weg naar God langskomt, maar de rechtvaardigen die een heilige helper bij zich hebben worden niet in verwarring gebracht wanneer ze langs deze weg gaan om voor het aangezicht van God te verschijnen."
13. En ik zei tegen de engel: 'Ik zou graag de zielen van de rechtvaardigen en van de zondaars willen zien wanneer ze de wereld verlaten.' En de engel zei tegen mij dat ik op de aarde moest neerkijken. En ik keek uit de hemel naar beneden en ik zag de hele wereld die was bijna nietig in mijn ogen. Ik zag de mensenkinderen alsof ze niets waren en geen omvang hadden. Ik verwonderde me en zei tegen de engel: 'Is dit de grootheid van de mensen?' En de engel antwoordde me: 'Inderdaad, En het zijn zij die kwaad doen van 's morgens tot 's avonds. En ik keek nog eens en ik zag een wolk van vuur die zich over de hele aarde uitstrekte en ik zei tegen de engel: 'Heer, wat is dit? En hij zei tegen me dat dit de onrechtvaardigheid is die door de vorsten van de zondaars wordt bekokstoofd.

14. Toen ik dit had gehoord, zuchtte en huilde ik en ik zei tegen de engel dat ik graag de zielen van de rechtvaardigen en de zondaars zou willen zien om te weten in welke gestalte ze het lichaam verlaten. En de engel antwoordde me dat ik opnieuw naar de aarde moest kijken. Ik keek naar beneden en ik zag de hele aarde en de mensen waren zo goed als niets en in ellendige omstandigheden. Ik zag hoe een mens op sterven lag en de engel zei me: Die je daar ziet is een rechtvaardige. En ik keek opnieuw en ik zag alle werken die hij had gedaan om de naam van God en alles wat hij van plan was geweest, zowel dat wat hij zich herinnerde als ook dat wat hij zich niet meer herinnerde. Het stond allemaal voor hem in het noodlottige uur. En ik zag dat het de rechtvaardige goed ging en dat hij lafenis en vertrouwen had gevonden. En voordat hij de wereld verliet, gingen zowel de heilige als de goddeloze engelen voor hem staan. En ik zag hen allen, maar de goddeloze vonden geen woonplaats bij hem, maar de heilige heersten over zijn ziel en begeleidden haar totdat zij het lichaam had verlaten. Ze spoorden de ziel aan en zeiden: 'Ziel, je moet je lichaam kunnen herkennen waaruit je bent weggegaan, want het is nodig dat je in hetzelfde lichaam terugkeert op de dag van de opstanding. 
Dan zul je ontvangen wat aan alle rechtvaardigen is beloofd." Daarop namen ze de ziel uit het lichaam en direct daarop kusten ze haar alsof ze haar dagelijks hadden gekend en zeiden haar, dat ze goede moed moest houden omdat ze de wil van God had gedaan toen ze op aarde was. En de engel die haar dagelijks had beschermd kwam haar tegemoet en zei haar: 'Houd goede moed, ziel. Want ik verheug me over je omdat je de wil van God op aarde hebt gedaan. Ik heb immers al je werken aan God gemeld zoals ze zijn.' Zo ook kwam de geest op haar af en zei: "Ziel, wees niet bang en wees niet ontsteld tot op het ogenblik dat je op een plaats bent gekomen die je nooit hebt gekend, want ik zal je helper zijn. Ik heb namelijk in jou een verkwikkelijke plaats gevonden in de tijd dat ik bij je woonde toen ik op aarde was.' En haar geest gaf haar moed en haar engel nam haar op en begeleidde haar naar de hemel. En een engel zei.' Waar ga je zo vlug naartoe, ziel? Durf je het aan de hemel binnen te gaan? Wacht even, dan zullen we kijken of er iets van ons in jou is. Helaas, we vinden niets bij je. Ik zie ook een goddelijke helper en je engel en de geest is blij met je omdat je op aarde de wil van God gedaan hebt." Ze brachten haar verder totdat ze voor het aangezicht van God in aanbidding was neergevallen. En toen ze klaar waren vielen onmiddellijk Michael en het hele leger neer en aanbaden de voetenbank van zijn voeten en zijn poorten terwijl ze tegen de ziel zeiden dat dit de God van hen allen is. Hij heeft geschapen naar zijn beeld en gelijkenis. En de engel keerde terug en zei: "God, gedenk haar werken want dit is de ziel waarvan ik U, Heer, het werk heb gemeld zoals U mij had opgedragen.' En zo ook zei de geest: 'Ik ben de levendmakende geest die in haar ademde. Want in haar heb ik me verkwikt in de tijd dat ik in haar woonde zoals U mij had opgedragen.

15. En hij zei tegen me: 'Kijk opnieuw naar beneden, naar de aarde, om te zien hoe de ziel van een goddeloze haar lichaam verlaat, een ziel die de Heer dag en nacht heeft verbitterd door te zorgen dat zij niets anders in deze wereld kent en dat zij eet en drinkt en geniet van wat er in de wereld is. Want wie is er naar de onderwereld afgedaald en weer opgestegen om ons te melden dat daar een strafgericht is? En ik keek opnieuw en zag alles wat de zondaar veracht had en alles wat hij had gedaan. Dat alles stond voor hem in het noodlottige uur. En op het uur waarop hij uit het lichaam zou worden verwijderd zou dat de oorzaak zijn van zijn veroordeling. En ik zei dat het beter voor hem geweest zou zijn als hij niet geboren was. En daarna kwamen de heilige en de boosaardige engelen met de ziel van de zondaar samen en de heilige engelen vonden bij haar geen plaats. De boosaardige engelen bedreigden haar en terwijl ze haar uit het lichaam wegnamen vermaanden de engelen haar tot driemaal toe met de woorden: 'O ongelukkige ziel, kijk naar het vlees dat je hebt verlaten. Het is immers nodig dat je in dat vlees terugkeert op de dag van de opstanding om een passende vergelding te ontvangen voor je zonden en je goddeloze daden."

16. En toen ze haar tevoorschijn gebracht hadden kwam de haar vertrouwde engel voor haar staan en zei tegen haar: 'O ongelukkige ziel, ik ben de engel die bij je was en die dagelijks je boze werken heeft gemeld, die je 's nachts en overdag had gedaan. En als ik de baas over mijn eigen ogen was geweest zou ik je geen dag hebben gediend. Maar ik heb niets kunnen doen: Hij is barmhartig en een rechtvaardig rechter en Hij heeft ons bevolen de ziel te blijven dienen totdat jullie berouw zouden tonen, maar jij hebt de tijd van berouw voorbij laten gaan. Daarom zijn we vreemden voor elkaar geworden. Laten we dus naar de rechtvaardige rechter gaan voordat ik verder weet dat ik een vreemde voor je ben geworden. De geest maakte haar beschaamd en de engel deed haar ontstellen.
Toen ze dan bij de (hemelse) machten waren gekomen en op het punt stonden de hemel binnen te gaan werd haar de ene kwelling na de andere opgelegd. Dwaling, vergetelheid en roddel kwamen haar tegemoet en de geest van ontucht en de andere machten. Ze zeiden haar: 'Waar wil je naartoe, ongelukkige ziel? Durf je de hemel in te rennen? Sta stil, dan kunnen we zien of er iets van onszelf in je is, want we zien geen heilige helper in je buurt.' Daarna hoorde ik stemmen in de hoge hemelen zeggen: 'Brengt de ongelukkige ziel voor God opdat ze weet dat het God is die ze heeft veracht. Alle engelen zagen haar, duizenden duizendtallen, toen ze de hemel was ingegaan. Ze riepen allen eenstemmig: Wee jou, ongelukkige ziel om de werken die je op aarde hebt gedaan. Wat wil je God antwoorden wanneer je naderbij bent gekomen om Hem te aanbidden?" De engel die bij haar was nam het woord en zei: "Mijn zeer beminden, weent samen met mij, want in deze ziel heb ik geen rust kunnen vinden.' En de engelen antwoordden hem: 'Laat die ziel uit ons midden weggenomen worden, want vanaf het ogenblik dat ze is binnengekomen, is haar stank tot ons engelen doorgedrongen.' Daarop werd ze meegenomen om in aanbidding voor het aangezicht van God neer te vallen. De engel liet haar God de Heer zien die haar had gemaakt naar zijn beeld en gelijkenis.
Maar haar engel rende naar voren en zei: Heer, almachtige God, ik ben de engel van deze ziel. Van haar heb ik U dag en nacht de werken aangeboden. Doe met haar naar uw oordeel.' En ook de geest zei: 'Ik ben de geest die in haar woonde sinds ze is geschapen en ik ken haar door en door, maar ze heeft mijn wil niet nageleefd. Oordeel haar, Heer, naar uw oordeel.' En de stem van God liet zich horen en zei tot haar: "Waar is de vrucht die je hebt voortgebracht in overeenstemming met de weldaden die je hebt gekregen? Heb je misschien de afstand van slechts één dag overbrugd tussen jou en een rechtvaardige? Ik laat toch juist de zon over jou en over een rechtvaardige opgaan?' Maar ze zweeg, want ze wist niets te antwoorden. En weer klonk de stem en zei: 'Rechtvaardig is het oordeel van Gods en God trekt niemand voor. Want Hij zal zich ontfermen over ieder die barmhartigheid heeft betoond en die geen barmhartigheid heeft gekend zal ook van God geen barmhartigheid krijgen. Laat zij aan de engel Tartaruchus overgedragen worden. Die is gesteld over de straffen en laat hij haar in de uiterste duisternis gooien waar geween is en het geknars van tanden en laat zij daar blijven tot de grote dag van het oordeel.' Daarna hoorde ik een stem van engelen en aartsengelen die zeiden dat de Heer even rechtvaardig is als zijn oordeel.

17. En ik keek opnieuw, en kijk, er was een ziel die door twee engelen werd gebracht. Ze weende en zei: 'Heb medelijden met mij, rechtvaardige God, goddelijke rechter, want vandaag is het zevende dag sinds ik mijn lichaam heb verlaten en ik aan deze twee engelen ben overgedragen en ik door hen naar de plaatsen ben gebracht die ik nog nooit had gezien.' En God de rechtvaardige rechter sprak tot haar: "Wat heb je gedaan? Want je hebt nooit barmhartigheid bewezen. Daarom ben je aan deze engelen overgeleverd die geen barmhartigheid kennen. Omdat je het goede niet gedaan hebt, daarom hebben ze je ook zonder liefde behandeld in het noodlottige uur. Je moet daarom je zonden belijden die je hebt gedaan toen je in de wereld was.' En ze antwoordde: 'Heer, ik heb niet gezondigd.' En de Heer, de rechtvaardige God, werd woedend toen ze dat zei, want ze loog. En God zei: 'Denk je dat je nog in de wereld leeft? Daar zondigen ze allemaal zonder betrapt te worden en ieder verbergt zijn zonde voor zijn naaste. Maar hier blijft niets verborgen, want wanneer de zielen zijn gekomen om te aanbidden voor het aangezicht van de troon, komen ieders werken, zowel zijn goede werken als zijn zonden, aan het licht.' Toen ze dat hoorde, zweeg de ziel, want ze wist niet wat ze moest antwoorden. En ik hoorde de Heer, de rechtvaardige God, verder zeggen: "Kom, engel van deze ziel en ga in het midden staan.' En de engel van de zondige ziel kwam met een geschrift in zijn hand en hij zei: 'Heer, hier in mijn hand zijn alle zonden van deze ziel vanaf haar jeugd tot op vandaag, vanaf tien jaar na haar geboorte. En als Ge het vraagt, Heer, kan ik ook haar daden vanaf haar vijftiende jaar verhalen.' De Heer God, de rechtvaardige rechter, zei: 'Ik zeg u, engel, ik verwacht geen verslag van u vanaf haar vijftiende jaar, maar geef een opsomming van haar zonden over de laatste vijf jaar voor haar dood toen ze hier is gekomen.' En verder zei de Heer God, de rechtvaardige rechter: 'Want ik zweer bij Mijzelf en bij mijn heilige engelen en mijn kracht dat als ze vijf jaar voor haar dood berouw had gehad, – ja al was het maar één jaar - haar alle zonden die ze tevoren had gedaan, vergeven zouden worden en zij kwijtschelding en vergeving zou hebben gekregen. Maar laat haar nu verloren gaan.' En de engel van de zondige ziel gaf woord: 'Heer, laat die engel die zielen halen.'
18. En onmiddellijk werden de zielen tevoorschijn gebracht en de ziel van de zondaar herkende hen. En de Heer zei tot de ziel van de zondaar Ik geef je opdracht openlijk uit te spreken wat je de zielen die je hier ziet, hebt aangedaan toen ze in de wereld waren En ze antwoordde: Heer, nog geen jaar geleden heb ik hen vermoord en haar bloed heb ik vergoten op aarde en ik heb met een ander ontucht gepleegd. En bovendien heb ik haar op een grove manier nadeel berokkend door haar vermogen op te maken. En de Heer God, de rechtvaardige rechter, zei: Wist jij het niet, dat degene die geweld heeft ondergaan en het eerst gestorven is hier worden bewaard totdat de schuldige is gestorven die de ander geweld heeft aangedaan en dat dan beiden voor de rechter verschijnen en dat daarop ieder dat ontvangt wat in overeenstemming is met wat hij heeft gedaan? En ik hoorde de stem van iemand die zei 'Laat die ziel in de handen van Tartrachus worden overgeleverd. Ze moet naar beneden worden gebracht, naar de onderwereld. Laat hij haar in de gevangenis van de onderwereld brengen en laat ze gemarteld worden om daar achter te blijven tot de grote dag van het oordeel.' En verder hoorde ik duizenden duizendtallen van engelen de Heer een loflied toezingen en roepen: 'Rechtvaardig bent U, Heer, en rechtvaardig is uw oordeel.'

Het eerste bezoek aan het paradijs

19. De engel nam het woord en zei tegen me of ik dit alles had gezien en ik zei: "Ja, heer.' En hij zei me hem opnieuw te volgen om me mee te nemen en me de plaatsen te laten zien waar de rechtvaardigen verblijven. Ik ging de engel achterna en hij droeg me omhoog naar de derde hemel en hij zette mij neer bij de deur van de poort. En ik keek rond en zag dat het een poort van goud was. Daarvoor stonden twee zuilen van goud en op de zuilen waren twee tafels van goud die geheel met gouden letters waren beschreven. En de engel wendde zich opnieuw tot mij en zei: 'Zalig ben je als je deze poorten bent binnengegaan, want het is alleen geoorloofd binnen te komen met een goed en onschuldig lichaam. Ik vroeg de engel over alles en zei: 'Heer, zeg me met het oog waarop deze letters zijn aangebracht op die tafels.' De engel antwoordde dat dit de namen waren van de rechtvaardigen die op aarde wonen en God met heel hun hart dienen, En ik zei verder Heer, hun naam staat dus in de hemel geschreven.'" En hij antwoordde: 'Niet alleen hun naam maar ook hun gezicht, de afbeelding van hen die God dienen is in de hemel en ze zijn aan de engelen bekend. Zij weten immers wie met hun hele hart dienaren van God zijn voordat ze de wereld verlaten hebben.'
20. En toen ik de poort en het paradijs was binnengegaan kwam me een oude man tegemoet wiens gezicht straalde als de zon. Hij omhelsde me en zei: 'Gegroet, Paulus, innig geliefde vriend van God.' En hij kuste me met een vrolijk gezicht. Hij huilde en ik zei: 'Broeder, waarom huil je?' En hij zuchtte nog eens en huilend zei hij: 'We worden door alle mensen dwarsgezeten en ze maken ons erg bedroefd. De goede dingen, die de Heer heeft bereid zijn namelijk talrijk en zijn belofte is groot, maar velen komen er niet aan toe.' En ik vroeg de engel: 'Wie is dit, heer?' En hij zei dat het Henoch was, de schrijver van de gerechtigheid. Ik ging naar binnen en onmiddellijk zag ik de zon. Hij kwam mij vol vreugde en blijdschap begroeten. En toen hij me had gezien, keerde hij zich van me af en huilde. Hij zei me: 'Paulus, moge je vergolden worden naar de inspanningen die je je onder de mensen hebt getroost. Wat mij betreft, ik heb vele grote en goede dingen gezien die God heeft bereid voor de rechtvaardigen en de beloften van God zijn groot, maar de meesten ontvangen die niet. Nauwelijks komt er een enkeling binnen ondanks veel inspanning.'

Door het vuur heen 1 Korinthe 3: 13 - 15

31. Toen hij klaar was met spreken bracht hij mij de stad uit, dwars door de bomen, ver weg van de plaatsen van het land waar de goeden wonen. En hij zette me aan de oever van de rivier van melk en honing, Daarop bracht hij mij naar de oceaan die de fundamenten van de hemel draagt. De engel vroeg of ik het merkte dat ik vandaar was weggegaan. Ik zei dat dit zo was. Hij zei tegen me dat ik hem moest volgen. Dan zou hij mij de zielen van de goddelozen en de zondaars laten zien, zodat ik zou weten wat voor een plaats dat was. Ik ging samen met de engel weg en hij droeg me naar het westen en ik zag het begin van de hemel die op een grote rivier was gefundeerd. En ik vroeg wat deze rivier met water was. Hij zei dat het de oceaan was die de hele aarde omstroomt. En toen ik bij het uiterste puntje van de oceaan was gekomen, keek ik, maar ik zag geen licht op die plaats, maar alleen duisternis, droefenis en somberheid. Ik zuchtte.
Ik zag daar een kolkende rivier van vuur en daarin een menigte van mannen en vrouwen die tot hun knieën waren ondergedompeld, anderen tot hun navel en weer anderen tot hun lippen en nog weer anderen tot hun haar. Ik vroeg de engel: Heer, wie zijn dat in die rivier van vuur?' En de engel antwoordde: "Ze zijn noch heet noch koud, want ze zijn niet gevonden onder het getal van de rechtvaardigen noch onder dat van de goddelozen. Ze hebben hun tijd op aarde namelijk zo besteed dat ze sommige dagen doorbrachten in gebed maar andere in zonde en ontucht tot de dood volgde.
En ik vroeg: 'Wie zijn dat, heer, die tot hun knieën in het vuur zijn ondergedompeld?' Hij antwoordde me dat dit de mensen zijn die zich overgeven aan ongepaste gesprekken zodra ze uit de kerk zijn gekomen. 'Zij die tot hun navel zijn ondergedompeld zijn de mensen die ontucht gaan plegen en niet zijn opgehouden te zondigen tot hun dood toe, zodra ze het lichaam en bloed van Christus ontvangen hebben. En zij die tot hun lippen zijn ondergedompeld zijn de mensen die elkaar belasterd hebben tijdens de samenkomsten in de kerk van God. En zij die tot hun wenkbrauwen zijn ondergedompeld zijn de mensen die elkaar een wenk geven en kwaad beramen tegen hun naaste.
32. In het noorden zag ik een plaats waar verschillende straffen werden uitgedeeld. Het was er vol mannen en vrouwen en een rivier van vuur stroomde erop uit. En ik keek en zag buitengewoon diepe kuilen waarin zeer veel zielen bijeenwaren. De diepte van die plaats was ongeveer drieduizend el. Ik zag hoe ze zuchtten en huilden en ze zeiden: Heb medelijden met ons, heer.' Maar niemand had medelijden met hen. En ik vroeg de engel: Wie zijn dat, heer? En de engel antwoordde me dat dit de mensen zijn die van hun Heer niet hadden verwacht dat Hij hun hulp zou zijn. En ik vroeg "Heer, als die zielen sinds dertig of veertig generaties zo op elkaar zijn gestort, dan kunnen deze kuilen hen niet bevatten, denk ik, zelfs al is die kuil nog zo diep. En hij zei tegen me dat die afgrond mateloos is. Want daarna volgt er nog een daaronder gelegen afgrond. Het is net alsof iemand een steen neemt en in een zeer diepe put gooit en die dan na vele uren op de bodem terechtkomt. Zo is ook de afgrond. Wanneer namelijk de zielen daarin worden gegooid komen ze pas na vijfhonderd jaar nog maar net op de bodem.
33. Toen ik dat had gehoord huilde en zuchtte ik om het geslacht van de mensen. De engel nam het woord en zei tegen me: "Waarom huil je? Ben je soms barmhartiger dan God? Daar God immers goed is en weet dat er straffen zijn verdraagt Hij vol geduld het geslacht van de mensen en laat Hij toe dat ieder handelt volgens zijn eigen wil in de tijd dat hij op aarde leeft."

34. lk keek nog eens in de rivier van vuur en zag daar een mens die gewurgd werd door de engelen die de onderwereld bewaken. In hun handen hadden ze een ijzer met drie punten waarmee ze de ingewanden van die oude man doorboorden. Ik vroeg de engel wie die oude man was die zo gemarteld werd. En de engel zei dat ik daar een priester zag die zijn dienst niet goed had uitgevoerd. Onder het eten drinken en het plegen van ontucht had hij het offer aan de Heer gebracht aan het heilige altaar.
35. Niet ver daarvandaan zag ik nog een oude man. Vier kwaadaardige engelen brachten hem met haastige tred en lieten hem tot aan zijn knieën in de rivier van vuur zakken. Ze sloegen hem met stenen en verwondden zijn gezicht alsof het een stormvlaag was lieten het niet toe dat hij om medelijden vroeg. En op mijn vraag zei de engel me dat het een bisschop was die zijn ambt niet goed had uitgevoerd. Hij had een grote naam gekregen, maar zijn hele leven lang had hij niet gehandeld in overeenstemming met de heiligheid van Hem die hem zijn naam gegeven had daar hij geen rechtvaardig oordeel had geveld en geen medelijden had gehad met weduwen en wezen. 'Maar nu wordt het hem vergolden in overeenstemming met zijn ongerechtigheid en zijn werken.'
36. En ik zag nog een mens in de rivier van vuur die tot aan zijn knieën in het vuur stond. Hij had zijn handen uitgestrekt en hij zat vol bloed. Wormen kropen uit zijn mond en zijn neus. Hij zuchtte en huilde en schreeuwde: 'Heb medelijden met me, want ik word zwaarder gestraft dan de anderen die deze straf ondergaan. En ik vroeg: Wie is dat, heer? En hij zei dat die ik daar zag een diaken was die  offergaven had opgegeten, ontucht had gepleegd en geen goed had gedaan voor het aangezicht van God, 'Daarom ondergaat hij ononderbroken deze straf.' En ik merkte dat aan zijn andere kant nog een mens was die ze haastig kwamen brengen. Ze gooiden hem in de rivier van vuur. Daarin stond hij tot aan zijn knieën. De engel die was aangesteld over de straffen kwam met een groot vurig scheermes en daarmee sneed hij in de lippen van die man en ook in zijn tong. En ik zuchtte en huilde en vroeg: "Wie is dat, heer?' Hij zei tegen me dat die ik daar zag een voorlezer was die het volk voorlas. Maar zelf onderhield hij Gods geboden niet. 'Maar nu krijgt hij zijn terechte straf.
37. En ik zag nog meer kuilen op die plaats en daar middenin was een rivier vol met een menigte mannen en vrouwen. Wormen aten hen op. En ik huilde en zuchtend vroeg ik aan de engel: 'Heer, wie zijn dat?' En hij zei dat dit mensen zijn die rente op rente eisen. Ze vertrouwen wel op hun rijkdom, maar ze verwachten niet dat God hun helper is.' En verder zag ik nog een enge plaats. Er was iets als een muur en daaromheen een vuur. Daarbinnen zag ik mannen en vrouwen die op hun tong beten en ik vroeg: Wie zijn dat, heer?' Hij zei tegen me dat dit de mensen zijn die in de kerk het woord van God minachten door er geen aandacht aan te geven. "Ze beschouwen de Heer en zijn engelen als niets. Daarom krijgen ze nu ook een passende straf."
38. En ik zag nog een oude man, beneden in de kuil en hij zag eruit als bloed. Ik vroeg: 'Heer, wat is dit voor een plaats?' En hij zei dat in deze kuil alle straffen naar binnen komen. En ik zag mannen en vrouwen die tot hun lippen ondergedompeld waren. Ik vroeg: 'Wie zijn dat, heer?' Hij zei dat dit de tovenaars waren, die mannen en vrouwen aan magische toverkunsten hadden blootgesteld. 'Men heeft gezien dat ze daarmee niet ophielden voor ze gestorven waren.' En verder zag ik mannen en vrouwen met een pikzwart gezicht in een kuil vol vuur. Ik zuchtte en huilde en vroeg: 'Wie zijn dat, heer?' En hij zei dat dit ontuchtigen zijn en echtbrekers. Ze hadden hun eigen vrouw, maar ze hadden toch ontucht gepleegd. Zo hebben ook vrouwen echtbreuk gepleegd hoewel ze toch hun eigen man hadden. Daarom ondergaan ze onophoudelijk straf.
39. En ik zag daar meisjes in zwarte kleren en vier vreselijke engelen met kettingen van vuur in hun hand. Ze deden die om haar hals en brachten hen in de duisternis. En opnieuw vroeg ik huilend aan de engel: 'Wie zijn dat, heer?' En hij zei me dat dit maagden waren die hun maagdelijkheid hadden bezoedeld zonder dat hun ouders dat wisten. Daarom ondergaan ze voortdurend de gerechte straf. En plotseling zag ik daar mannen en vrouwen met afgesneden handen en voeten. Ze stonden naakt op een plaats vol ijs en sneeuw en wormen aten hen op. Toen ik dat zag, huilde ik en vroeg: 'Wie zijn dat, heer?' Hij zei: 'Dat zijn de mensen die wezen, weduwen en armen benadeeld hebben." Ze hebben hun verwachting niet op de Heer gesteld, daarom ondergaan ze voortdurend hun passende straf.' En ik merkte hoe anderen boven een waterstroom hingen. Hun tong was uitgedroogd. Voor hun ogen waren veel vruchten maar het was hun niet geoorloofd daarvan te nemen. En ik vroeg hem: "Wie zijn dat, heer?' Hij zei me dat dit de mensen zijn die voor het vastgestelde uur de vasten beëindigden. Daarom krijgen ze deze straf onophoudelijk. Ook zag ik mannen en vrouwen die aan hun wenkbrauwen en haar opgehangen waren. Een rivier van vuur sleurde hen mee. En ik zei: "Wie zijn dat, heer? Hij zei me dat dit de mensen zijn die niet omgaan met hun eigen man of vrouw, maar wel met overspeligen. Daarom krijgen ze onophoudelijk hun gerechte straf. Ik zag ook mannen en vrouwen met stof bedekt. Ze zagen eruit als bloed en ze verbleven in een kuil vol pek en zwavel en liepen naar beneden naar de rivier van vuur En ik vroeg: 'Wie zijn dat, heer?" Hij zei me dat dit de mensen zijn die de goddeloosheid van Sodom en Gomorra hebben bedreven. mannen met mannen." Daarom ondergaan ze voortdurend straf.

40. En ik merkte mannen en vrouwen op die in stralende gewaden waren gekleed, maar hun ogen waren blind. Ze bevonden zich in een kuil. En ik vroeg: Wie zijn dat, heer?' Hij zei me dat dit heidenen waren die aalmoezen hadden gegeven maar de Heer God niet gekend hadden. Daarom ondergaan ze voortdurend een terechte straf. En ik zag nog andere mannen en vrouwen die boven een vurige stang hingen. Dieren verscheurden hen en ze kregen geen toestemming om te zeggen: Heb medelijden met ons, heer! En ik zag de strafengel die hun met grote kracht straf oplegde en zei: 'Erkent de Zoon van God. Want het is jullie aangezegd, maar toen de goddelijke geschriften aan jullie werden voorgelezen hebben jullie niet opgelet. Daarom is Gods oordeel rechtvaardig. Jullie slechte daden hebben jullie betrapt en naar deze straffen gebracht.'

En ik zuchtte en huilde en ik vroeg wie deze mannen en vrouwen waren die werden gewurgd in het vuur en straf ondergaan. En hij antwoordde me dat dit de vrouwen zijn die de schepping van God bezoedelen door kinderen uit hun schoot weg te doen en het zijn de mannen die met haar sliepen. Hun kinderen riepen tot de Heer God en tot de engelen die over de straf gaan met de woorden: "Verdedigt ons tegen onze ouders, want ze hebben de schepping van God bezoedeld. Ze kenden de naam van God, maar ze onderhielden zijn geboden niet en ze hebben ons als eten voor de honden gegeven en ons door de varkens laten vertrappen. Anderen hebben ze in de rivier gegooid.' Die kinderen werden aan de engelen van de onderwereld overgedragen die over de straffen gaan om hen naar een ruime plaats van barmhartigheid te brengen. Maar de vaders en de moeders werden gewurgd als een straf voor eeuwig.

Verder zag ik mannen en vrouwen, gekleed in lappen vol pek hadden zich om hun hals, schouders en voeten gekronkeld en ze werden vastgehouden door engelen met horens van vuur. Ze sloegen hen en knepen hun neusgaten dicht. Ze zeiden tegen hen: "Waarom hebben jullie de tijd niet in acht genomen waarop het terecht zou zijn geweest om berouw te hebben, om God te gaan dienen en hebben jullie dat niet gedaan? En ik vroeg: Wie zijn dat, heer?' En hij zei tegen me dat dit de mensen waren die de wereld schijnbaar voor God hadden afgezworen door zich met ons gewaad te kleden. Maar ze zijn ongelukkig geworden door de beslommeringen van de wereld. Ze hielden geen liefdemalen, ze hadden geen medelijden met weduwen en wezen, vreemdelingen en pelgrims hebben ze niet opgenomen, ze hebben geen offers gebracht en met hun naaste hadden ze geen medelijden. Op geen enkele dag zelfs steeg hun gebed rein op naar de Heer God. Maar ze werden in beslag genomen door de beslommeringen van de wereld en ze waren niet in staat goed te doen voor het aangezicht van God, en op de plaats van de straf waren er engelen om hen heen. Er waren andere gestraften die hen zagen en tegen hen zeiden: "Toen we op aarde waren veronachtzaamden we God net zoals jullie hebben gedaan. Wij wisten toen we op aarde waren dat we zondaars waren, maar van jullie werd gezegd dat jullie rechtvaardig waren en dienaars van God. Nu weten we dat jullie alleen maar met de naam van de Heer genoemd werden. Daarom ondergaan ook jullie je terechte straf,

En ik zuchtte en weende en zei: 'Wee de mensen, wee de zondaars, waartoe zijn ze geboren?' En de engel antwoordde me: 'Waarom huil je? Ben je soms barmhartiger dan de Heer God die gezegend is tot in eeuwigheid, die zijn oordeel heeft uitgesproken en ieder heeft toegestaan volgens zijn eigen wil goed en kwaad te kiezen en te doen wat hem goeddunkt?' Maar weer huilde ik hevig en hij zei me: 'Huil je al nu je nog niet eens de zwaarste straffen hebt gezien? Kom mee en je zult er zien die zevenmaal zwaarder zijn dan deze.'

Hel

41. En hij droeg me van het noorden weg en zette me boven een put en die bleek met zeven zegels verzegeld te zijn. De engel die bij me was nam het woord en zei tegen de engel van die plaats dat hij het deksel van de put moest openen om Gods innig geliefde vriend Paulus daarin een blik te gunnen, omdat hem toestemming was gegeven om alle straffen van de onderwereld te zien. De engel zei tegen me dat ik op een afstand moest gaan staan om de stank van die plaats te kunnen uithouden. 
Toen de put open was kwam er onmiddellijk een of andere vuile, zeer gemene stank omhoog die alle straffen te boven ging. Ik keek in de put en zag klompen van vuur die aan alle kanten in brand stonden en een nauwe opening. En de ruimte van die opening van de put was zo nauw dat er slechts één mens door kon. De engel begon te spreken en zei tegen me dat als iemand in deze put van de afgrond is gegooid en de ingang boven hem was verzegeld, er nooit meer iets van hem werd vernomen voor het aangezicht van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest en de heilige engelen. En ik zei: "Wie zijn dat, heer, die in deze put worden  gegooid. Hij zei tegen mij dat dit ieder is die niet belijdt dat Christus in het vlees is gekomen" en dat de maagd Maria hem heeft gebaard en ieder die ontkent dat het brood van de eucharistie en de beker van de zegening het lichaam en bloed van Christus is."
42. Vanuit het noorden keek ik naar het westen en ik zag de worm die geen rust kent en op die plaats was er het geknars van tanden. Die worm was één el lang en hij had twee hoofden. En ik zag dat daar mannen en vrouwen waren die het koud hadden en met hun tanden knarsten. En ik vroeg: Heer, wie zijn dat op die plaats? En hij zei dat op deze plaats niets dan kou en sneeuw te vinden was. Hij zei dat dit de mensen zijn die zeggen dat Christus niet is verrezen van de doden en beweren dat het vlees niet opgewekt wordt. En ik vroeg: 'Heer, is er helemaal geen warmte op deze plaats te vinden? Hij ging verder en zei me dat ook al gaat de zon over hen op ze niet warm worden omdat de plaats uiterst koud Is, ook al wegens de sneeuw. Toen ik dat had gehoord strekte ik mijn hand uit en huilde en zei zuchtend opnieuw dat het beter zou zijn voor ons als wij, die allemaal zondaars zijn, niet geboren waren
43. Toen ze me daar zagen huilen bij de engel, riepen ze me ook huilend toe: 'Heer God, ontferm U over ons.' En daarop zag ik de hemel open en de aartsengel Michael daalde uit de hemel af en samen met hem het hele leger van de engelen en ze gingen naar mensen die de straffen ondergingen. Toen die hem zagen riepen ze opnieuw huilend en zeiden: 'Ontferm u over ons, aartsengel Michael, ontferm u over ons en het menselijk geslacht, want door Uw gebeden blijft de wereld in stand. We hebben het oordeel gezien en de Zoon van God leren kennen. Vroeger, voor we deze plaats hadden betreden, was het ons onmogelijk hiervoor te bidden. Voordat we de wereld verlieten hoorden we immers dat er een oordeel zou zijn, maar de wereldse beslommeringen belemmerden ons om berouw te hebben.' En Michael antwoordde: 'Luister, Michael spreekt. Ik ben het die ieder uur voor Gods aangezicht sta. Zowaar de Heer leeft voor wiens aangezicht ik sta, ik houd geen dag of nacht op ononderbroken voor het menselijk geslacht te bidden. Ik bid voor hen die op aarde wonen. Maar ze doen onophoudelijk ongerechtigheid, ze plegen ontucht en brengen me niets goeds al de tijd dat ze op aarde leven. Jullie hebben de tijd waarin je berouw zou moeten hebben in ijdelheid doorgebracht. Maar ik heb altijd hetzelfde gebeden en ik smeek God ook nu dat Hij dauw geeft en er regen over de aarde wordt uitgegoten en ik bid totdat de aarde haar vruchten voortbrengt. Ik zeg dat als iemand maar een beetje goed gedaan heeft ik voor hem zal vechten en hem zal beschermen totdat hij aan het oordeel met zijn straffen ontkomt. Waar zijn daarom jullie gebeden? Waar is jullie boetedoening?

Jullie hebben de tijd veracht en voorbij laten gaan. Huilt nu en ik zal samen met jullie huilen en de engelen ook, samen met de zeer geliefde Paulus. Dan kunnen we zien of de barmhartige God zich misschien ontfermt en jullie lafenis zal geven. Toen ze dit gehoord hadden riepen en huilden ze zeer en zeiden eenstemmig: 'Ontferm u over ons, Zoon van God.' En ik, Paulus, zuchtte en zei: 'Heer, ontferm U over uw schepsel, ontferm U over de mensenkinderen, ontferm U over uw beeld.

Bezoek aan het paradijs

45. Daarna zei de engel tegen me: 'Heb je dit allemaal gezien?' En ik zei 'ja' en hij zei tegen me dat ik hem moest volgen, dan zou hij mij in het paradijs brengen en dan zouden de rechtvaardigen die daar zijn mij zien. Want ze hoopten me te zien en ze waren klaar om mij te verwelkomen vol vreugde en jubel. En aangespoord door de Heilige Geest volgde ik de engel en hij zette me in het paradijs en zei me dat dit het paradijs was waar Adam en zijn vrouw hadden gelopen. Ik ging het paradijs binnen en zag waar het water begint en de engel gaf een teken en zei tegen me: 'Kijk, het water. Dit is namelijk de rivier de Pison die om het hele land van Chawila stroomt en dat is de Gichon, die dwars door het land Egypte en Ethiopië stroomt. En die daar is de Tigris die tegenover het land van de Assyriërs ligt en die andere is de Eufraat die het land van Mesopotamië overstroomt,' Toen ik nog verder naar binnen ging zag ik een boom geplant. Vanuit zijn wortels borrelde water omhoog en daaruit ontsprongen de vier rivieren. De Geest van God rustte op die boom en wanneer de geest waaide begon er water te stromen. En ik vroeg de heer of dit de boom is die het water doet stromen? En hij zei me dat voordat hemel en aarde tevoorschijn waren gekomen, in het begin, en toen er nog niets te zien was, de Geest van God boven de wateren zweefde." Maar sinds in opdracht van God hemel en aarde tevoorschijn zijn gekomen heeft de Geest op deze boom gerust. Daarom komt er water uit de boom tevoorschijn zodra de Geest waait. En hij nam me bij de hand en bracht me bij de boom van kennis van goed en kwaad en hij zei me dat dit de boom is waardoor de dood in de wereld is gekomen. Nadat Adam hiervan de vrucht van zijn vrouw had gekregen, heeft hij gegeten en is de dood in de wereld gekomen." En hij liet me nog een boom zien midden in het paradijs en zei me dat dit de boom van het leven is.
46. Terwijl ik nog bezig was om naar de boom te kijken zag ik uit verte een jong meisje aankomen dat werd voorafgegaan door tweehonderd engelen die lofliederen zongen. Ik vroeg de heer wie dat was die daar in een zo grote luister aankwam. Hij zei dat dit de maagd Maria was, de moeder van de Heer. Toen ze dichtbij was gekomen groette ze me en zei: Gegroet, Paulus, door God, engelen en de mensen zeer geliefd. Immers, alle engelen hebben mijn Zoon Jezus die mijn Heer is, gesmeekt dat u hier in het lichaam zou komen om u te kunnen zien voordat u de wereld zou verlaten. En de Heer zei hun te wachten en geduld te hebben. Nog even en ze zouden me zien om voor eeuwig bij hen te zijn. En ze zeiden verder: "Maak ons niet bedroefd, we willen hem immers in het lichaam zien, want door zijn toedoen is uw naam in de wereld luister bijgezet." We hebben gezien dat hij alle werken heeft verdragen, groot en klein." Want we horen van hen die hier komen wanneer we hen vragen wie het was die hen in de wereld heeft geleid dat ze zeggen: "Er is iemand in de wereld die Paulus heet. Hij kondigt in zijn prediking Christus aan en we geloven dat door de kracht en de zoetheid van zijn woorden velen het koninkrijk zijn binnengegaan." Kijk, alle rechtvaardigen staan achter me en komen je tegemoet. Paulus, ik zeg je, dat ik hen het eerst tegemoet kom die de wil van mijn Zoon en mijn Heer Jezus Christus hebben gedaan. Ik ga hen het eerst tegemoet zodat ze geen vreemdelingen zijn totdat ze in vrede aankomen.'